Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AV3129

Datum uitspraak2006-03-01
Datum gepubliceerd2006-03-03
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/6983 WAO-VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Niet is gebleken van een voor betrokkene zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 05/6983 WAO-VV U I T S P R A A K van DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP Inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet (Bw) in het geding tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. INLEIDING Namens verzoeker heeft mr. R.A.N.H. Verkoeijen, advocaat te Venlo, op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Roermond op 19 april 2005 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 04/790 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij afzonderlijk schrijven van 6 december 2005 is namens verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2006, waar namens verzoeker is verschenen mr. Verkoeijen, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In gevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Bw in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ten aanzien van de vraag of er in casu sprake is van onverwijlde spoed overweegt de voorzieningenrechter van de Raad het volgende. Namens verzoeker is aangevoerd dat de spoedeisendheid is gelegen in het feit dat hij ten gevolge van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%, in plaats van 80 tot 100%, in een financiële noodsituatie is komen te verkeren. Verzoeker dient, naast zichzelf, zijn echtgenote en zijn twee minderjarige kinderen te onderhouden. Door de verlaging van zijn uitkering is dit een onmogelijke opgave gebleken. Tevens heeft de gemachtigde van verzoeker aangegeven dat gedaagde bij beslissing van 11 november 2005 het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 15% heeft vastgesteld. Verzoeker ontvangt thans geen arbeidsongeschiktheidsuitkering meer. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker zijn standpunt niet heeft onderbouwd met gegevens die inzicht geven in zijn financiële situatie. Verzoeker heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij door verlaging van zijn arbeidsonge- schiktheidsuitkering in een onhoudbare financiële noodsituatie is geraakt. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de hoofdzaak niet zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De voorzieningenrechter acht ten slotte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep, Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Aldus gewezen door mr. Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2006. (get.) Ch. van Voorst. (get.) P. van der Wal.